Geschiedenis van conventionele behandelwijzen bij kanker: een kort overzicht van moderne behandelmethoden bij kanker

Geschiedenis van conventionele behandelwijzen bij kanker

Er is niemand te vinden, die niet heeft meegemaakt, hoe een familielid of geliefde stierf als gevolg van kanker. Voor mijzelf was het meest aangrijpende dat zowel mijn moeder als haar zus aan het eind van de jaren 70 borstkanker kregen. Waar mijn tante koos voor conventionele therapie, koos mijn moeder voor een alternatieve geneeswijze, namelijk Moermantherapie. Uiteindelijk overleden beiden enkele jaren later: mijn tante aan borstkanker en mijn moeder in het ziekenhuis aan een hartaanval, waarvan de minder bekende symptomen zoals die bij vrouwen voorkomen, destijds niet werden herkend.

Sindsdien heb ik met een mengeling van afschuw en bewondering gekeken naar de vorderingen van de medische wetenschap op het terrein van kankertherapie. Afschuw omdat er nog steeds zo weinig respect en vooral ook weinig onderzoek gedaan wordt naar alternatieve geneeswijzen, dieet en leefstijl. En bewondering voor wat de conventionele geneeswijzen toch weten te bewerkstelligen met steeds minder agressieve en slimmere benadering.

Hoewel het er soms op lijkt alsof kanker een moderne ziekte is, is dat niet waar.
Al heel lang geleden werd er kanker vastgesteld bij zieken.
In de botten van mummies in de pyramiden van Egypte werden tumoren ontdekt en in zeer oude manuscripten van wel 5.000 jaar geleden werden 8 gevallen van borstkanker omschreven met de opmerking "er is geen behandeling mogelijk".

Zo'n slecht vooruitzicht is er vandaag de dag niet meer bij voor de meeste soorten kanker. Althans niet in de westerse wereld, waar meer dan 60% van de patiënten bij wie kanker wordt ontdekt, na 5 jaar nog steeds leeft. Voor sommige soorten kanker, leeft na 5 jaar ruim 90% van de patiënten.

Deze hoopgevende statistieken hebben we te danken aan ruim 50 jaar ingespannen onderzoek naar kanker. Maar het fundament voor het moderne kankeronderzoek werd veel eerder gelegd.
Hippocrates, die wordt beschouwd als de grondlegger van de moderne geneeskunde, was degene die de term 'carcinoom' bedacht en speculeerde dat kanker ontstond door een disbalans van de '4 humeuren'.

Door de eeuwen heen zijn er talloze oorzaken bedacht voor wat kanker zou kunnen veroorzaken: de goden verzoeken, lymfe die zou zijn gaan fermenteren of verzuren, chronische irritatie, trauma en ontsteking.
Al deze theorieën werden nooit verder kritisch onder de loep gehouden, tot in de Renaissance door Galileo en Newton de fundamenten voor modern wetenschappelijk onderzoek werden gelegd.

In de 18e eeuw werd dan uiteindelijk voor het eerst epidemiologisch onderzoek naar kanker gedaan.
Vrij kort na elkaar werden 3 interessante waarnemingen gedaan.
Ten eerste merkte men op dat nonnen veel vaker borstkanker kregen dan vrouwen, van dezelfde leeftijd die niet de kuisheidsgelofte hadden afgelegd. Dit was de eerste hint dat hormonen mogelijk een rol konden spelen bij de ontwikkeling van kanker.
Ten tweede merkte men op dat schoorsteenvegers in Londen opvallend vaak teelbalkanker kregen, zo vaak dat dit leidde tot wetgeving om er voor te zorgen dat mensen minder risico liepen om vanwege hun werk kanker op te lopen.
Ten derde was er de publicatie van een boek, waarin het verband werd gelegd tussen het roken van tabak en longkanker, wat uiteindelijk heel veel later er in 1964 er toe leidde dat er een officiële waarschuwing werd uitgevaardigd dat roken kanker veroorzaakte.
Vandaag de dag zijn er meer dan 100 verschillende carcinogene stoffen geïdentificeerd.

We weten nu dat kanker een ziekte is die wordt veroorzaakt door beschadiging van ons DNA.
In de zeventiger jaren ontdekten wetenschappers dat er genen zijn, de zogenaamde oncongenen, die er voor zorgen dat cellen ongecontroleerd gaan groeien tot kankercellen.
Vandaag de dag is het mogelijk om voor 1 enkele patiënt het complete genoom te onderzoeken en een op de individu afgestemd behandelingsprogramma te ontwikkelen.

De geschiedenis van kankertherapie

Opereren

Ten tijde van het Romeinse Rijk werden er al operaties uitgevoerd door Romeinse artsen, die echter meestal meewarig opmerkten dat "ondanks de operatie, zelfs wanneer er een litteken is gevormd, de ziekte toch weer opnieuw terugkeerde".
Pas toen er verdovingsmiddelen en betere ontsmettingstechnieken werden ontwikkeld, werd het opereren van een patiënt meer dan het allerlaatste redmiddel voor een kankerpatiënt.

In 1880 werd dan de eerste operatie uitgevoerd waarbij een hele borst werd weggenomen om borstkanker te bestrijden. Pas 100 jaar later was men in staat om ook kleinere borstamputaties uit te voeren en toch borstkanker effectief te bestrijden.
Vanaf toen kon men volstaan met het wegnemen van steeds kleinere hoeveelheden gezond weefsel, zodat men bij borstkanker of bij beenmergkanker niet meer automatisch de hele borst of het hele been hoefde te verwijderen.
Vandaag de dag kan men dankzij vorderingen in de techniek zo precies werken, dat vrijwel alleen nog de tumor zelf operatief wordt verwijderd, waardoor het risico op nadelige neveneffecten door beschadigd gezond weefsel enorm is afgenomen.

Radio-actieve bestraling

Kort nadat Wilhelm Conrad Röntgen de zogenaamde "X-stralen" ontdekte (die later naar hemzelf werden vernoemd) en het echtpaar Curie de "radioactiviteit" in radium en polonium ontdekten, werden al de eerste succesvolle behandelingen met radio-actieve straling uitgevoerd bij Russische huidkankerpatiënten.
Vandaag de dag vormt radiotherapie nog steeds een belangrijk onderdeel van kankerbehandeling.
Dankzij de technologische vooruitgang is men inmiddels in staat om zeer precies, doelgerichte radiotherapie uit te voeren.

Radioactieve stralen kunnen zo exact gericht worden, dat enkel en alleen de tumor zelf bestraald wordt en er naar verhouding weinig neveneffecten zijn. Bij enkele kankersoorten is het slagingspercentage van radiotherapie vrijwel gelijk aan het chirurgisch wegenmen van de tumor.

Chemotherapie

Het tijdperk van chemotherapie begon tijdens de Tweede Wereldoorlog toen een Amerikaans schip werd gebombardeerd waar stiekem mosterdgas op werd vervoerd, ondanks de Geneefse conventie waarbij was afgesproken om dit vanwege de vele doden tijdens de Eerste Wereldoorlog nooit meer te gebruiken.
Na onderzoek op de soldaten, die daarbij om het leven kwamen, bleek dat hun beenmerg was vernietigd.
Omdat beenmergcellen zich heel snel delen, was men nieuwsgierig of mosterdgas niet ook tumorcellen (die eveneens snel delen) zouden kunnen doden. Dat bleek inderdaad het geval te zijn: een component uit mosterdgas vernietigde het DNA van kankercellen.
De celdeling van kankercellen onmogelijk maken door hun DNA te beschadigen, waardoor deze zelfmoord plegen (apoptosis) blijft tot vandaag de dag het onderliggende principe van chemotherapie.
Echter, geen van de middelen die in de vijftiger en zestiger jaren in het unieke Cancer Chemotherapy National Service Center (CCNSC) programma werd onderzocht, bleek in staat om kanker echt te genezen. Hierdoor geloofde bijna niemand nog dat chemotherapie ooit kanker zou kunnen genezen.
Sterker nog, er was heel veel wantrouwen ten opzichte van chemotherapie, ondermeer omdat vrijwel iedere onderzoeker die aan het vroege kankeronderzoek meedeed , eerder tijdens de Tweede Wereldoorlog had gewerkt voor de dienst die chemische wapens ontwikkelde!
En uiteraard ook omdat het eerste onderzoek met het dodelijke mosterdgas werd gedaan, waar zoveel soldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog aan waren gestorven.

Ondanks dat er behoorlikje vorderingen waren bij de ontwikkeling van chemotherapie in de vijftiger en zestiger jaren, bleef operatief verwijderen en radiotherapie de belangrijkste vorm van kankertherapie, tot uiteindelijk duidelijk werd dat men geen hogere genezingspercentages kon bereiken dan een schamele 33% met opereren en bestralen alleen.
Het besluit om naast opereren en bestralen ook een kans te geven aan chemokuren, zou een keerpunt betekenen in de overlevingskans van kankerpatiënten.

Al in de zeventiger jaren verbeterde de overlevingskans sterk van patiënten die met verschillende kankermedicijnen werden behandeld, vooral nadat men besloot meerdere middelen tegelijk of na elkaar te gaan gebruiken.
Het gebruik van de vroege vormen van chemotherapie kon men wel vergelijken met het "in elkaar knuppelen van een patiënt in de hoop dat de kanker er ook mee zou verdwijnen". Chemotherapie bood dan wel voordelen, maar de neveneffecten waren traumatisch groot.
Deze neveneffecten werden veroorzaakt doordat kankermedicijnen niet alleen kankercellen, maar ook de gezonde cellen aanvielen.
Lang dacht men dat de enige manier waarop kankercellen vernietigd konden worden, was om deze snel delende cellen met alle middelen die ons ter beschikking staan, zo hevig mogelijk aan te vallen en de nevenschade als onvermijdelijk te accepteren, zoals daar zijn: het afsterven van gezonde darmflora, sterk verminderde weerstand, haarverlies, en nog veel meer ernstige bijwerkingen van agressieve chemokuren.

Gelukkig kan vandaag de dag een chemokuur veel preciezer werken en worden aangepast aan de specifieke moleculaire kenmerken van een bepaalde kankersoort, het groeistadium van de tumor, de ontvankelijkheid voor eerdere behandelingen en zelfs het specifieke genetische profiel van een individuele patiënt.
Het is mogelijk om verschillende soorten medicijnen te gebruiken om zo de patiënt te kunnen laten overleven.
Er zijn nieuwe therapieën, die in staat zijn om uitsluitend de kankercellen te doden en de gezonde cellen met rust te laten.

In de laatste decennia is duidelijk geworden dat veel kankersoorten heel specifieke eigenschappen bezitten, die ze anders maken van normale gezonde cellen en juist deze verschillen stellen ons in staat om kanker-specifieke geneesmiddelen te ontwikkelen.

Eén zo'n voorbeeld is het dat 1 op de 4 borsttumoren een verhoogde concentratie bevat van het eiwit HER2. Hierna werd een heel specifiek medicijn herceptine genaamd, ontwikkeld om dit éne specifieke HER2-eiwit aan te vallen. 
Herceptine doodt heel specifiek alleen cellen met een hogere concentratie van het HER2-eiwit. Omdat dit eiwit maar in 1 op de 4 borsttumoren aanwezig is werkt herceptine helaas ook maar bij 25% van de patiënten.
Een ander succesverhaal is dat in 70% van de gevallen, borstkanker ontstaat vanwege een verhoogd gehalte aan oestrogenen.
Veel van de oestrogeen-gerelateerde soorten kanker, die 30 jaar geleden nog fataal zouden aflopen, kunnen nu volledig genezen worden door zogenaamde oestrogeenblokkers, die voorkomen dat er nog oestrogeen wordt aangemaakt.

Immuuntherapie

Al halverwege de 19e eeuw ontdekten artsen dat tumoren af en toe krompen, waneer ze ontstoken raakten.
Dit leidde tot de theorie dat het eigen immuunsysteem van een patiënt zou kunnen worden ingeschakeld om kankercellen te bestrijden.
Met deze waarneming werd lange tijd heel weinig gedaan, tot in de zeventiger jaren Britse onderzoekers er in slaagden om antilichamen te synthetiseren.
De synthese van antilichamen gecombineerd met een toenmemende kennis over de werking van het immuunsysteem leidde uiteindelijk ook tot de ontwikkeling van immuuntherapie-protocollen voor kankerbehandeling.

De huidige stand van zaken

Tot in het midden van de jaren 70 stond het bericht dat iemand kanker had, gelijk aan het ontvangen van een doodsvonnis. Slechts 1 op 2 patiënten bleef langer dan 5 jaar in leven.
Vandaag de dag is de overlevingskans bij bepaalde soorten kanker zoals borstkanker toegenomen tot ruim 80%. Bij sommige soorten kanker kan dat oplopen tot wel 90% overlevingskans.
Helaas zijn er ook minder goed te behandelen kankersoorten, bij hersentumoren is de overlevingskans in ruim 30 jaar amper toegenomen en blijft angstwekkend laag met slechts 5% overlevingskans.
Toch kan men hoop koesteren als men kijkt naar de ongelooflijke vooruitgang die in de afgelopen decennia is geboekt.

Er zal nooit of te nimmer één enkel "geneesmiddel voor kanker" kunnen zijn omdat "kanker" niet zomaar 1 ziekte is maar heel veel verschillende ziekten. Iedereen die iets anders beweert, leeft in een fantasiewereld en dient met wantrouwen te worden bejegend.

Wat wel heel positief is, is dat in tegenstelling tot wat men vroeger wel dacht, erfelelijke factoren minder belangrijk zijn bij de ontwikkeling van kanker dan omgevingsfactoren en leefstijl. Dat wil zeggen dat men door een zo gezond mogelijke leefstijl en het elimineren van vermijdbare carcinogenen is het zeker wel mogelijk om het risico op kanker in te perken.

Ook is de overlevingskans in sterke mate afhankelijk van iemands fitheid. Door zo fit als mogelijk te zijn en te blijven is het mogelijk om er beter voor te staan dan anderen die de strijd tegen kanker aangaan in een zwak en ongezond lijf.

Er is dus nog heel veel te winnen vóórdat kanker toeslaat in uw leven. En zelfs daarna, kan en moet er naast de conventionele (en inmiddels geavanceerde) veelzijdige aanpak, ook plek zijn voor een niet-farmaceutische aanpak.
Sowieso moet er meer tijd en geld vrijgemaakt worden voor onderzoek naar de effecten van dieet, leefstijl en kruidgeneesmiddelen, zowel preventief als curatief in aanvulling op conventionele therapie.

Aan artikel gerelateerde producten

Get every new article on your mail