Wat veroorzaakt autisme?

Momenteel is er een toenemend aantal ouders dat weigert hun kind te laten inenten omdat er steeds meer bewijs lijkt te zijn over hoe inentingen autisme zou kunnen veroorzaken.
Omdat ondergetekende zich ooit actief bezig hield met de productie van vaccins, leek het me altijd een volstrekt bespottelijk verhaal toe. Naar verluidt zou de onderzoeker, die het verband had gelegd tussen autisme en vaccins zijn ontmaskerd als een fraudeur. Bovendien wordt autisme vaak precies rond de periode dat kinderen worden gevaccineerd ontdekt, wat volkomen toeval moet zijn.

Desondanks blijven de geruchten aanhouden, dus vandaar dat we besloten om zelf te zoeken naar wetenschappelijk bewijs. En warempel er blijkt toch een verband te zijn tussen vaccns en autisme. Maar zoals altijd, liggen de zaken gecompliceerder dan je denkt.
In een zeer lang wetenschappelijk overzichtsartikel wordt licht geworpen in de duisternis. We hebben het vertaald en geprobeerd het leesbaar te houden, maar dat valt niet mee, zodat u nog veel medische termen zult aantreffen.

Autisme wordt gerekend tot de categorie PDD (pervasive developmental disorder/alomtegenwoordige ontwikkelingsstoornis), en is dramatisch in omvang toegenomen sinds haar ontdekking door Leo Kanner in 1943.
Terwijl het eerst maar 4 of 5 op de 10.000 Amerikaanse kinderen trof, is dat nu maar liefst 1 op de 110 kinderen in de VS en 1 op 64 in GB met vergelijkbare getallen elders in de wereld.

In dit overzichtsartikel worden resultaten samengevat die verbanden leggen in het het voorkomen van autisme en veranderingen in de omgeving.
Autisme kan door meer dan één factor veroorzaakt worden en manifesteert zich op verschillende wijze in getroffenen, die wel gelijkaardige symptomen vertonen.
Autisme blijkt veroorzaakt te worden door genetische mutaties, virusinfecties evenals hersenontstekingen na vaccinaties.
Autisme kan het gevolg zijn van genetische afwijkingen en/of ontstekingen in het brein. De ontsteking kan veroorzaakt worden door een slecht functionerende placenta, een doorlaatbare bloed-hersenbarrière, de immuunreactie van de moeder als gevolg van een infectie tijdens de zwangerschap, een vroeggeboorte, hersenontsteking in het kind na de geboorte of een zwaar verontreinigde omgeving.

Autisme is een ontwikkelingsstoornis aan de zenuwen, die gekenmerkt wordt door een gebrekkige communicatie en slechte sociale vaardigheden evenals door dwangmatig repetitief gedrag.
Er is behoorlijk wat bewijs dat genetische, omgevings en immunologische factoren een rol spelen. Sommige onderzoekers zeggen dat niet alleen het brein anders is, maar ook meerdere organen en de stofwisseling verstoord zijn.

De term autistisch spectrum stoornis (ASD) of alomtegenwoordige ontwikkelingsstoornis (pervasive developmental disorder, PDD) vertegenwoordigt een hele groep stoornissen met 5 ondersoorten waaronder autisme, PDD-NOS en Asperger syndroom (inmiddels verdwenen als aparte categorie en onderverdeeld bij PDD-NOS). Er zijn ongeveer 4x zoveel jongens als meisjes met autisme.
Autisme draag je je leven lang met je mee. Helaas komt bijna 75% van de autisten in een inrichting terecht en/of zijn niet in staat om een zelfstandig bestaan te leiden.
Autisten hebben ook in het algemeen een kortere levensduur dan niet-autisten.

Deze gecompliceerde gedragsziekte omvat een veelvoud aan symptomen, die gedefinieerd wordt door gebrekkige sociale vaardigheden, communicatie, empathie en ongebruikelijke beperkende zichzelf herhalende gedragingen.
Aangezien er geen objectieve diagnose voorhanden is voor autisme, is de meest gebruikte gebaseerd op gedrag, waarbij de zogenaamde Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) als de 'gouden standaard' wordt gebruikt.

Op basis van een hele lijst van criteria moeten er tenminste 6 vertoond worden voor een kind 3 jaar oud is, waarbij twee ervan te maken hebben met sociaal gedrag en één met een gebrekkige communicatie.
Deze criteria zijn niet tot in de kleinste details uitgeschreven, zodat er nogal wat marge overblijft voor een persoonlijk (gekleurd) oordeel.
Helaas zijkn er nog steeds geen betrouwbare biologische kenmerken waarop echt met zekerheid te zeggen valt dat een patiënt lijdt aan autisme.

Desondanks zijn er meer dan voldoende biologische kenmerken (hormonen, peptiden etc.) die wel degelijk anders zijn bij autisten dan bij mensen van het zelfde geslacht en leeftijd.
Meestal wordt autisme in de eerste 3 levensjaren ontdekt. Er zijn echter wel gevallen bekend van een latere ontwikkeling van autisme, waarbij sprake was van een hersenontsteking na een herpesinfectie. Autisme is dus niet in alle gevallen een ontwikkelingsstoornis.

Frequentie en nieuw ontdekte gevallen
Er zijn waarschijnlijk meerdere oorzaken voor autisme. Sinds autisme voor het eerst in 1943 beschreven werd door Leo Kanner werd heel lang gezegd dat er ongeveer 4 tot 5 gevallen van zijn per 10.000 kinderen. Vermoedelijk is dat aantal het aantal dat genetisch altijd al voor zou komen.
Uit onderzoek dat tussen 1966 en 1998 in 12 landen werd gedaan, blijkt autisme in 0,7 tot 21 op 10.000 betrokkenen voor te komen (tussen 1 op 14.285 tot 1 op 474)
De meest recente officiële cijfers uit de VS spreken van 1 op 110.
Het aantal nieuw ontdekte gevallen (incidentie) is in die tijd enorm sterk toegenomen.
Door de Amerikaanse RIVM (CDC) wordt gesproken van een epidemische omvang. In GB stijgt het aantal autisme gevallen zelfs nog sneller.
Ofschoon de toename ook te wijten kan zijn aan betere diagnoses, is het niet uit te sluiten dat er ook sprake is van een verhoogd risico.

Het is moeilijk om echt keiharde cijfers te tonen omdat zoals gezegd, autisme op subjectieve criteria wordt vastgesteld.

Veranderingen in de frequentie van autisme
Kijkend naar een periode tussen 1995 en 2007 in Californië blijkt autisme niet te zijn afgenomen nadat thimerosal in 2002 uit een flink aantal vaccins werd verwijderd.
Maar niet uit alle vaccins, zoals in die voor het griepvirus, dat bij alle babies van 6-23 maanden oud en bij zwangere vrouwen werd gebruikt.  
Wanneer gegevens van over de hele wereld worden vergeleken lijkt er een forse toename te zijn in de waargenomen autisme gevallen zo'n 5 jaar na de introductie van een nieuw vaccin tegen mazelen, de bof en rode hond (MMR2), dat ook thimerosal bevatte.
Een extra piek was er in alle landen (VS, Canada, Denemarken en Japan)  nadat besloten werd 2x te vaccineren als de eerste vaccinatie niet zichtbaar succesvol bleek te zijn.

Maar er is nog iets bijzonders aan de hand met dit nieuwe vaccin MMR2. In tegenstelling tot de voorloper MMR was het rode hond vaccin gebaseerd op een menselijke cellijn, afkomstig van longembryo-weefsel.
In het MMR2 vaccin zitten verontreinigingen met menselijk DNA uit dze cellijn. Dit menselijk DNA zou kunnen samenhangen met een piek in autisme-waarnemingen. Eenzelfde soort piek kwam voor in 1995 nadat het pokkenvirus ook gekweekt werd op menselijk foetaal weefsel.
Menselijk DNA dat aanwezig is in vaccins kan blijkbaar 'vermengd' worden met het genetisch materiaal van de ontvanger, een proces dat onmogelijk is met DNA van een andere diersoort maar wel mogelijk is bij dezelfde species (de mens in dit geval).
De meeste plekken waar DNA spontaan kan worden toegevoegd aan menselijk genetisch materiaal liggen op het X-chromosoom en wel op maar liefst 8 genen, die in verband gebracht worden met autisme en betrokken zijn met zenuwcelvorming, de ontwikkeling van het centrale zenuwstelsel en de functie van mitochondriën (energiecentrales van de cel).
Dit zou kunnen verklaren waarom autisme voornamelijk bij jongetjes voorkomt.
Dit alles bij elkaar lijkt genoeg bewijs om de aanname te ondersteunen dat verontreinigingen met menselijk DNA autisme zou kunnen veroorzaken.

Vaccins
Het aantal bestaande en nieuwe gevallen van autisme tonen aan dat er een verband kan zijn tussen autisme en het soort, het aantal en de timing van vaccins.
Zo is het aantal aanbevolen inentingen in de VS voor kinderen van 0 tot 6 jaar in nog geen 6 jaar tijd toegenomen van vijf naar zes bij 2 maanden en acht naar negen bij 12-15 maanden.
Bij een leeftijd van maar 2 maanden is het immuunsysteem van een baby nog maar gedeeltelijk ontwikkeld. Het immuunsysteem kan dus na inenting met zoveel vaccins behoorlijk van slag raken.

Vaccins en antigenen
Er zijn flink wat controverses rondom vaccins en autisme, vooral omdat nogal wat ouders zweren dat hun kind zich normaal ontwikkelde tot ze op een leeftijd van 18 maanden gevaccineerd werden.
Het zou kunnen dat het vaccin zelf de oorzaak is. Er is bijv. een theorie dat het toxine in het kinkhoestvaccin een afwijking veroorzaakt in een speciaal soort eiwit, dat betrokken is bij receptoren voor retinoïden (verwant aan vitamine A) bij kinderen die daar erfelijk gezien gevoelig voor zijn.
Het mazelenvirus is ook al 'verdacht'. Wanneer een mazelenvaccin wordt gegeven, raakt de voorraad aan vitamine A uitgeput, wat invloed heeft op de hiervoor vermelde retinoïde-receptoren, wat het slechtere gezichtsvermogen van autisten kan verklaren.
Met name het periferale (aan de zijkant) gezichtsvermogen is aangetast.
Wanneer echter aan autistische kinderen 2-3 maanden lang naturlijke vitamine A werd gegeven evenals urocholine, bleek veel van het autistisch gedrag te verdwijnen, waaronder ook het vermijden van direct oogcontact, het vermogen tot sociaal gedrag en het normaal doorslapen.

Conserveermiddel in vaccins
Er is toemend bewijs dat het conserveermiddel Thimerosal (voor 49% bestaand uit ethylkwik) wel degelijk schadelijk is voor de geondheid. Het middel wordt al sinds 1930 gebruikt in vaccins als antibacterieel conserveermiddel.
Thimerosal wordt in verband gebracht met autisme. Het opmerkelijke is wel dat veel van de symptomen voor autisme sterke overeenkomst vertonen met de neveneffecten van kwikvergiftiging zoals psychiatrische afwijkingen (sociaal gedrag, stereotiep gedrag, depressie, angsten en neuroses), hogere frequentie van allergie en astma, toegenomen aanwezigheid van Ig-G antilichamen gericht tegen de hersenen en myeline-eiwitten, afname in de Natural Killer celfunctie en toename in immuunactivieit.

Autistische hersenen vertonen afwijkingen, die vrijwel identiek zijn aan wat te zien is bij kwikvergiftigingen zoals veranderingen in de concentraties van serotonine en dopamine, verhoogd niveau van epinefrine en norepinefrine, verhoogde serumglutamaatspiegel en een tekort aan acetylcholine in de hippocampus.
Vanwege de opmerkelijke gelijkenis van autisme en kwikvergiftiging is het niet onlogisch dat er een verband tussen kan zijn. En dat verband kan liggen in de kwikcomponent van het conserveermiddel Thimerosal. Wel apart dat Thimerosal in de dertiger jaren voor het eerst werd gebruikt in vaccins en autisme in 1943 voor het eerst werd ontdekt.

Metaalstofwisselingsziekte
Meer bewijs dat er er een verband kan zijn met autisme kwam, nadat bleek dat het bloed en urine van autisme-patiënten hogere concentraties van zware metalen bevatte.
Meer dan 85% van ruim 500 autisme-lijders bleek een verstoorde zink/koper-verhouding te hebben en maar liefst 99% had een metaalstofwisselingsstoornis, wat suggereert dat er schade is bij het zogenaamde metallothioneïne-eiwit.
Dit eiwit speelt een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de immuunfunctie, neuronale ontwikkeling en het ontgiftingsproces voor zware metalen.
Veel klassieke soorten autisme kunnen verklaard worden uit een gebrekkig werkend metallothioneïne-eiwit zoals maagdarmstoornissen, verhoogde gevoeligheid voor giftige metalen en abnormaal gedrag.

Kwik als zenuwgif
Kwik staat bekend als een zenuwgif, dat ook nadelige invloeden heeft op het immuunsysteem. Mestcellen zijn betrokken bij allergische reacties, bij ontstekingsprocessen en bij passieve (doorgegeven) evenals actief zelf ontwikkelde weerstand.
Autisten blijken een wel 10x hogere concentratie aan dergelijke hyperactieve mestcellen in bijna al hun lichaamsweefsels hebben.
Kwik stimuleert de afgifte van een bepaalde groeifactor en interleukine-6 door deze mestcellen, die vervolgens de bloed-hersenbarrière kunnen passeren en in de hersenen ontstekingen veroorzaken.

Bronnen van kwik in de omgeving
Blootstelling aan kwik is een optelling van verschillende factoren, zoals verontreinigde lucht, bodem, water, consumentenproducten, amalgaam in vullingen, lampen, voedingsmidelen, vis en zeevoedsel.
Met elke 1000 pond (450kg) extra blootstelling aan kwik via de lucht is er een toename van 61% in het aantal autisme-gevallen.
Kwik wordt zelfs aangetroffen in het 'vermaledijde' high-fructose corn syrup (HFCS), wat zou kunnen verklaren waarom er gezegd wordt dat kinderen met ADHD (vaak geassocieerd met autisme) er gedragsproblemen mee krijgen.

Een soortgelijk verschijnsel ziet men bij de consumptie van voedsel dat kunstmatige kleurstoffen bevat, wat mogelijk verklaard kan worden door zinkgebrek. Zink is van essentieel belang voor het elimineren van kwik uit het lichaam. Wanneer sprake is van een gebrek aan mineralen zoals ijzer, zink, jodium, selenium, koper, mangaan, fluoride, chroom en molybdeen, kan dit leiden tot een verandering van de zenuwfunctie waardoor de gezondheid verslechterd en het gedrag en leervermogen nadelig beïnvloed wordt.

Giftigheid van Thimerosal
Er zijn bepaalde schadelijke effecten van thimerosal op het immuunsysteem en met name op T-lymfocyten. Blootstelling aan kwik leidt tot een uitputting van de universele ontgiftings-antioxidant glutathion, toegenomen oxidatieve stress en celdood in de getroffen cellen.
Daarnaast kan thimerosal giftig zijn voor hersencellen, het transport van glutamaat en de de ontwikkeling van zenuwcellen verstoren en de weerstandsfunctie nadelig beinvloeden.

Ofschoon thimerosal in de jaren 30 werd geïntroduceerd en dit samenviel met de toename en ontdekking van autisme, blijkt uit bestudering van maar liefst 10 uitgebreide epidemiologische onderzoeken dat er geen direct verband is tussen vaccins en autisme.
De voornaamste aanleiding voor deze conclusie is dat ondanks het feit dat thimerosal al sinds 2000 in bijna geen enkel kindervaccin meer wordt gebruikt, er toch een flinke toename is in het aantal gevallen van autisme.

Daarnaast is de precieze verwerking van ethylkwik (zoals gebruikt in thimerosal) door het lichaam zodanig, dat we dit als oorzaak voor autisme zouden moeten schrappen. Zeker nu het aantal gevallen van autisme blijft doorstijgen is het belangrijk er een andere oorzaak voor te vinden.

Er zijn meer rapporten die wijzen op een verband tussen het eerder genoemde MMR-vaccin en het aantal autisme gevallen.
Dat aantal gevallen lijkt te pieken met het gebruik van MMR-II vaccin (dat geen thimerosal meer bevat) en iets "nieuws" dat autisme veroorzaakt.
Er blijken de laatste jaren veranderingen te zijn gekomen in de leeftijd waarop inentingen worden gegeven.
Deze veranderingen zouden kunnen verklaren waarom meer nieuwe gevallen van autisme worden ontdekt. Deze 'nieuwe' component zou uit het menselijke DNA uit cellijnen voor de rode hond en de pokken kunnen komen. Men zegt wel dat autisme het resultaat kan zijn van hersenziektes als gevolg van vaccinaties.

Erfelijkheid
Het staat vast dat autisme voor een groot deel erfelijk is. Immers, bij identieke eeneiige tweelingen is de kans dat autisme bij beide kinderen voorkomt, 90%. Bij twee-eiige tweelingen is dat slechts 2-3%.  Maar liefst 10 verschillende genen worden in verband gebracht met autisme.
Desondanks kan maar in 1 tot 2% van de gevallen er heel duidelijk een specifiek gen worden aangewezen als als oorzaak, wat een bewijs lijkt dat autisme een zenuw-ontwikkelingsstoornis is, waarvoor geen heel specifiek geen aan te wijzen valt maar eerder sprake zou kunnen zijn van een veelvoud aan zeldzame mutaties.

Een andere reden om erfelijkheid als enige oorzaak voor autisme af te wijzen is dat autisme welhaast epidemische vormen begint aan te nemen en er bestaat niet zoiets als een erfelijke epidemie.
Tot dusverre is er eigenlijk nog geen enkel gen gevonden dat direct verantwoordelijk is voor autisme. Wel zijn er mutaties in genen of wijzigingen in de manier waarop een gen tot expressie wordt gebracht dat autisme als eindresultaat heeft.

Co-morbiditeit
In 35% van de gevallen heeft een autist ook last van psychiatrische stoornissen of andere medische aandoeningen, zoals depressie, schizofrenie, het syndroom van Tourette, pica, epilepsie, trage schildklier, Down's syndroom, en hoge bloeddruk.

Andere stoornissen die met autisme in verband worden gebracht zijn genetische aandoeningen zoals het Fragile X syndroom of tuberose sclerose, stofwisselingsziekten en een heel gamma aan andere aandoeningen die de hersenontwikkeling en hersenfunctie aantasten.

Autisme-lijders, die ook lijden aan een andere orgaan- of zenuwaandoening wijken niet specifiek af qua ontwikkeling van autisten zonder zo'n extra aandoening.

Uit recent onderzoek blijkt dat er eindelijk een anatomisch bewijs is voor een abnormale ontwikkeling van de amygdala en een verandering in gedrag voor wat betreft het slechter verwerken (en herkennen) van gezichtskenmerken.

Er is ook wel wat (zwak) bewijs dat er een verband is tussen autisme en type 1 diabetes.
Daarnaast komen auto-immuunaandoeningen veelvuldig voor bij autisme-lijders evenals bij hun ouders en nabije verwanten.

Leeftijd van de ouders
Er zijn inmiddels behoorlijk veel bewijzen voor het effect van veroudering op het menselijk genoom, vooral in het zeer vroege embrynale stadium.
Er treden bij veroudering steeds meer afwijkingen op in het chromosoom bij een toemenede leeftijd van de moeder. Deze toename is exponentieel tussen het 30e en 49e levensjaar met kleinere toenames onder de 30.

Het lijkt er op dat beide ouders de 'schuld' kunnen krijgen voor een toename in de kans op autisme bij hun kinderen.
Manieren, waarop een hogere leeftijd van invloed kan zijn, zijn voor de vrouw bijvoorbeeld hormonale veranderingen in de baarmoeder, een grotere kans op onvruchtbaarheid en daardoor blootstelling aan moderne methoden om de kans op zwangerschap te verhogen, een vergrootte instabiliteit van nucleotiden en een toegenomen blootstelling aan giftige stoffen.
Bij mannen is de meest logische biologische verklaring de toename in het aantal kwaadaardige mutaties in sperma bij oudere vaders, mogelijk ook vanwege een toename in de blootstelling aan toxische stoffen. 

Mitochondriale ziekten en stoornissen
Klassieke mitochondriale ziekten en stoornissen komen voor in een groep van autisme-lijders en wordt veelal veroorzaakt door genetische of mitochondriale afwijkingen.
Ook zonder dat er klassieke stoornissen in de mitochondriën aan te wijzen zijn, blijken deze vaak toch niet goed te functioneren. Het slechte functioneren wordt geweten aan milieuverontreinigingen en zou een oorzaak kunnen zijn voor een afwijkende energiestofwisseling in de hersenen van kinderen met autisme.
De verminderde energiecapaciteit in de mitochondriën zou wel eens kunnen verklaren waarom er stoornissen zijn in het leervermogen en de taalontwikkeling, wat heel vaak voorkomt bij autisten.
Autisme kan dus ook veroorzaakt worden door gebrekkig werkende mitochondriën.

Men zegt wel dat autisme een stoornis is die vele organen treft en veroorzaakt wordt door de omgeving of een virus dat een mens treft, die al erfelijk 'belast' is.
Hoe dan ook, autisme heeft grote gevolgen voor de stofwisseling met verschijnselen op velerlei niveau: de imuunfunctie, spijsvertering, ontgiftingsroutes en neurologische ontwikkeling.
Daarom moeten er ook meerdere oorzaken van autisme worden bekeken, zoals bijvoorbeeld virussen, bacteriën en milieufactoren. 

Zwangerschap
Vanwege het feit dat de weerstand onderdrukt wordt aan het begin van de zwangerschap, kan een aanstaande moeder sneller last krijgen van infecties.
Daarnaast zijn er bepaalde tijdvakken, waarbinnen de foetus uiterst kwetsbaar is en verminderde weerstand heeft.
Uit verschillende onderzoeken blijkt dat een virusinfectie in de eerste 3 maanden van een zwangerschap en bacteriële infectie in de tweede 3 maanden van een zwangerschap de kans op autisme bij een kind vergroot.

De placenta (moederkoek, het eerste orgaan dat zich volledig ontwikkelt tijdens de zwangerschap) speelt een belangrijke rol bij de ontwikkeling van de foetus.
Veel voedingsstoffen zoals glucose, aminozuren, vrije vetzuren, cholesterol en fosfolipiden bewegen zich vanuit de bloedbaan van de moeder naar dat van de foetus via de placenta. De placenta is een belangrijkste hormonaal orgaan.
De placenta maakt bijvoorbeeld zelf progesteron aan, waardoor de zwangerschap in stand blijft, de baarmoeder slapper wordt. Het zorgt er ook voor dat foetus niet wordt afgestoten door de lymfocyten-activiteit bij de zwangere vrouw te onderdrukken.
Daarnaast maakt het progestines aan die zowel in het bloed van de moeder als het kind gaan circuleren en hierbij ook de bloed-hersen-barrière passeren en daarbij de aanmaak van zenuwcellen bevordert, niet alleen bij de foetus maar óók bij de moeder!
De placenta produceert zowel ontstekingsbevorderende als ontstekingsremmende cytokines die invloed hebben op zowel moeder als kind.

Het lijkt er op dat ook oxytocine de bloed-hersen-barrière kan passeren bij de foetus. Oxytocine zou in staat kunnen zijn om de GABA-signalering te wijzigen van een stimulerende functie naar een remmende functie. Een hogere of lagere concentratie aan oxytocine wordt in verband gebracht met sociaal gedrag en laat nu juist de oxytocine route bij autisten verstoord zijn.
Er wordt wel gesuggereerd dat autisme weleens 'geprogrammeerd' kon zijn door de placenta en dat daardoor de hele zenuwontwikkeling van de foetus verandert.

Andere onderzoekers wijzen er op dat bij veel autisten de bloed-hersen-barrière niet naar behoren functioneert, dwz dat ze te doorlaatbaar is.

Wanneer bij de moeder de immuunfunctie verslechted is vanwege een virale infectie voorafgaand aan de zwangerschap, kan er teveel interleukine-6 aanwezig zijn en genen afwijkend gedrag vertonen, wat ook kan leiden tot een grotere kans op autistisch gedrag en neurologische aandoeningen bij het pasgeboren kind.
Nogal wat autisme-lijders blijken permanent last te hebben van ontstekingen in de hersenen evenals in het ruggemergvloeistof.

Wanneer een zwangere vrouw een virus- of bacteriële infectie krijgt, zal haar lichaam daartegen antistoffen en cytokines aanmaken, die de nog niet volledig ontwikkelde bloed-hersenbarrière van een foetus kunnen passeren en op termijn, autisme veroorzaken.

Infecties
Infecties, die in verband gebracht worden met de ontwikkeling van autistisch gedrag zijn hersenontstekingen veroorzaakt door mazelen, rode hond, herpes simplex, de bof,
waterpokken of cytomegalovirus.
Rode hond werd als eerste in verband gebracht met autisme. Daarna volgden mazelen en de bof omdat ze hersenontstekingen kunnen veroorzaken, die ook bij oudere kinderen nog autisme tot gevolg kunnen hebben.
Virale infecties die hersenontstekingen en daarmee autisme veroorzaken, vinden al plaats tijdens de zwangerschap maar kunnen ook na de geboorte plaats vinden. Daarmee lijkt wel te zijn bewezen dat sommige virussen inderdaad autisme kunnen veroorzaken. 

Intracellulaire ziekteverwekkers
Het mazelenvirus, het cytomegalovirus, menselijk herpesvirus 6 en de bacterie Yersinia enterocolitica blijken allen te worden aangetroffen bij autisten.
Deze intracellulaire ziekteverwekkers blijken tot gevolg te hebben dat er minder bloedcellen gevormd worden, de weerstand verslechtert en de bloed-hersenbarrière minder goed functioneert, wat vaak samen gaat met het verdwijnen van myeline op zenuwweefsel.
Deze virussen kunnen een immuunrespons opwekken, waarna zenuwen ontstoken raken en auto-immuunreacties en hersenbeschadigingen kunnen voorkomen.
Deze ziekteverwekkers kunnen zich gedurende langere perioden verbergen in lichaamscellen en dan ontstekingen veroorzaken waneer deze cel zich vermenigvuldigt, waardoor er zich herhalende ontstekingsprocessen ontstaan.

Disbalans in neuronale systemen
Gebaseerd op het feit dat epileptische aanvallen ook regelmatig voorkomen bij autisten en dat er ook een abnormale elektriciteitspieken waargenomen worden wanneer een taak verricht moeten worden, die veel aandacht vergt, wordt wel gedacht dat autisme veroorzaakt kan worden door een disbalans tussen de stimulering en de remming van de belangrijkste neuronale systemen, waaronder die van de hersenschors.

Er blijken drie belangrijke soorten afwijkingen te zijn bij autisten: in de hersenstam en kleine hersenen, het limbisch systeem (amygdala en hippocampus) en de hersenschors.
De hersengroei blijkt niet regelmatig te zijn, waardoor er in het prille begin een te snelle groei en daarna een te trage groei plaats vindt.
Er zijn behoorlijk veel aanwijzingen voor een afwijkende werking van prikkelsystemen, die betrokken zijn bij de verwerking van de volgende stoffen: gluatmaat, GABA, serotonine. Maar ook voor catecholamines, peptides en cholines.
Vooral het serotoninesysteem blijkt ontregeld te zijn bij autisten. Het niveau aan serotonine is bij hen lager dan normaal, maar neemt dan op 2-15 jarige leeftijd weer toe tot een hoger niveau dan normaal.

Omgeving
Niet zo lang geleden is er een nieuwe theorie bijgekomen over de mogelijke ontwikkeling van autisme. Er wordt gedacht dat autisme ook te maken heeft met blootstelling aan omgevingsstoffen tijdens de zwangerschap, die een nadelige invloed op de zich nog ontwikkelende foetus hebben.

Foetale testosteronspiegel
Er is wel gedacht aan een 'extreem-mannelijk' brein, met bewijs in de vorm van sociale ontwikkeling, aandachtstoornissen en sexueel dimorfisme in het gedrag.

Autistisch gedrag blijkt vaker voor te komen als de foetus blootgesteld wordt aan abnormaal hoge testosteronspiegels vanwege aangeboren afwijkingen aan de bijnieren.
Dit wordt bevestigd door waarnemingen dat er in babies, waar in de foetus al een hogere testosteronspiegel waargenomen werd, later ook vaker problemen waren met sociale ontwikkeling en het vermogen zich te concentreren.

Medicijnen
Medicijnen worden ook in verband gebracht met autisme. Eén ervan is thalidomide dat ernstige geboorte-afwijkingen kan veroorzaken. In 1994 bleek dat het ook autisme kan veroorzaken, waarbij meestal sprake was van een abormale ontwikkeling van het oor en het oog evenals de gelaatsuitdrukking, maar (vreemd genoeg) niet aan de armen of benen.
Het lijkt er op dat zenuwafwijkingen bij autisme-lijders veroorzaakt worden door hersenschade zeer vroeg in de zwangerschap. Andere medicijnen worden ook in verband gebracht met autisme.

Paracetamol (acetaminofen) wordt ook in verband gebracht met autisme. Kinderen die paracetamol kregen na vaccinatie met het MMR-II vaccin kregen aanzienlijk eerder last van autisme dan kinderen, die ibuprofen kregen.

Tijdens de zwangerschap bleken moeders met autistische kinderen veel vaker last te hebben van bacteriële of virale infecties of koorts, die allemaal van invloed kunnen zijn op het ontstaan van autisme bij het kind.
Vaak nemen deze moeders een paracetamolletje om de infectie te behandelen. Wanneer sprake is van een overdosering aan paracetamol blijkt de lever onvoldoende sulfaat en glutathion over te houden, waardoor de lever niet meer in stat is om haar werk te doen als grootste ontgiftingsorgaan.
Dit kan tot gevolg hebben dat de foetus zich niet goed ontwikkelt wnneer de moeder paracetamol consumeert. Later, wanneer een jong kind paracetamol krijgt, wordt bij het kind in de lever ook het gehalte aan sulfaat en glutathion sterk verlaagd waarna autisme tot ontwikkeling kan komen.

Blootstelling aan stoffen uit de omgeving
Porfyrines (derivaten van heem, een belangrijke component van rode bloedcellen), zijn een maat voor blootstelling aan stoffen uit de ongeving. Juist bij autisme-lijders worden ze in hogere concentraties in de urine aangetroffen.
De hoeveelheid porfyrines stelt ons in staat om blootstelling aan milieustoffen te meten.
Glutathion (GSH) is de belangrijkste antioxidant in ons lichaam, dat verantwoordelijk is voor de ontgifting en eliminatie van gifstoffen uit de omgeving.
Bij autisten blijkt de glutathionspiegel flink lager te zijn dan wat als normaal wordt beschouwd. GSH speelt ook een belangrijke rol bij methyleringsprocessen en is ook zeer nauw betrokken bij tal van ontgiftingsprocessen.

Ftalaten
Andere stoffen die in verband gebracht worden met autisme zijn ftalaten.
Ftalaten zijn synthetische stoffen, die zeer wijdversprijd zijn omdat ze in plastic en allerlei consumentenproducten worden toegepast.
Ftalaten blijken te lekken in de omgeving en door mensen opgegeten of ingeademd te worden, maar ook via de huid binnen kunnen dringen.
Wanneer de concentratie an ftalaten in de urine van autismelijders werd gemeten, bleek opnieuw dat er een verband was tussen enerzijds de concentratie aan ftalaten en de ernst van autistisch gedrag (door middel van speciale puntentellingen voor onderwijzers om de maat van ADHD vast te stellen).

Ook PCBs (polychloorbifenyl) worden verdacht van het kunnen veroorzaken van autisme omdat een zwangere vrouw, die blootgesteld wordt aan PCBs later een kind krijgt met leerstoornissen op een kind van 2 tot 4 jaar.
Milieuverontreinigende stoffen zoals PCBs, herbiciden, perchloraat, kwik en koolverbindignen (zoals ftalaten), blijken ook schildklierafwijkingen tot gevolg te hebben.
Deze stoffen op zichzelf of in samenhang met een te lage inname van jodium, blijken de schildklierfunctie van de moeder aan te tasten.
Een verstoorde schildklierwerking bij de de moeder kan ook een te lage T3 (triiodothyronine) spiegel in het brein van de foetus tot gevolg hebben, juist wanneer een belangrijke fase van de hersenontwikkeling plaats vindt in de 8e tot 12e week van de zwangerschap opnieuw met autisme als gevolg.

Bestrijdingsmiddelen op basis van organofosfaat
Bestrijdingsmiddelen op basis van organofosfaat in doseringen, zoals die in de VS mogen worden toegepast, blijken bij te dragen aan de mate waarin ADHD voorkomt.
Blootstelling aan deze soort bestrijdingsmiddelen kan voor of na de geboorte plaats vinden, direct of indirect via voedsel, drinkwater of gebruik binnenshuis.

Er zijn mogelijk nog meer stoffen uit de omgeving, die verantwoordelijk kunnen zijn voor een abornmale hersenontwikkeling zoals dat kenmerkend is bij autisme.

Vaak blijken autisten bij geboorte een iets kleiner hoofd te hebben dan normaal, maar daarna blijkt het hoofd in het eerste levensjaar juist veel sneller in omvang toe te nemen.
De herseninhoud bij (jong)volwassen autisten is dan weer normaal, wat duidt op een tragere groei wanneer de hersenen bij normale kinderen weer wat sneller in omvang toenemen.

Er wordt ook vermoed dat genen een interactie aangaan met de omgeving. Uit epidemiologisch onderzoek blijkt dat er gebieden zijn waar autisme veel vaker dan normaal voorkomt.
Eén zo'n gebied is een klein plaatsje in New Jersey (Brick Township), waar kinderen een 4x hogere kans op autisme hadden dan in de rest van de Verenigde Staten.
Hoewel er nog geen keihard bewijs is lijkt het er op dat verontreinigingen in het drinkwater de mogelijke oorzaak zijn, waaronder tetrachloorethyleen, trichloorethhyleen en trihalomethaan.
Speciaal trihalomethaan wordt in verband gebracht met een tweevoudige toename in neuralebuisdefecten (zoals open ruggetje) in diezelfde gemeenschap. Meer bewijs dat autisme veroorzaakt kan worden door een defect aan de neurale buis in de vroege ontwikkeling van een foetus.

 Samenvatting
Autisme heeft inmiddels epidemische proporties aangenomen, waarbij 4x zoveel mannen als vrouwen getroffen worden. Nu 1 op de 110 kinderen in de VS en 1 op de 64 kinderen in GB en een vergelijkbaar aantal in veel andere landen er aan lijden, is autisme een heel belangrijke bedreiging voor toekomstige generaties.
In dit overzichtsartikel worden diverse oorzaken voor autisme aangewezen, waaronder genetische afwijkingen, virale infecties (met name rode hond en herpes) en hersenontstekingen na vaccinatie.

Het is goed mogelijk dat autisme door meer dan één oorzaak ontstaat, met verschillende soorten afwijkingen maar gelijksoortige symptomen.
Wanneer de verschillende gegevens worden verzameld, is een veronderstelling mogelijk dat autism het resultaat is van genetische afwijkingen, waarbij de hogere leeftijd van ouders en/of ontstekingen in het brein een belangrijke rol spelen.
Deze ontsteking kan veroorzaakt worden door een defect in de placenta, een nog niet volledig ontwikkelde bloed-hersenbarrière, een verhevigde immuunrespons van de moeder als reactie op een virale of bacteriéle infectie tijdens de zwangerschap, vroeggeboorte, hersenontsteking in het kind na de geboorte of gifstoffen in de omgeving.
Ziekteverwekkers kunnen ook van binnen in de cel een immuunrespons veroorzaken waarbij zenuwontstekingen, auto-immuunreacties, hersenschade en autisme het gevolg kunnen zijn.

Autisme wordt volgens de meeste literatuur veroorzaakt door genetische afwijkingen en/of ontstekingen in de hersenen. Deze ontstekingen kunnen veroorzaakt worden door een veelvoud aan omgevingsgiffen, infecties en co-morbiditeit bij individuen, die erfelijk al meer kans maken op een ontwikkelingsstoornis. 

Ons commentaar
We kunnen niet anders dan constateren dat autisme voornamelijk een erfelijke afwijking is, maar dan wel één waarbij de kans dat een kind daadwerkelijk autisme krijgt, heel sterk door het toeval bepaald wordt.
Het risico op het ontwikkelen van autisme is in de afgelopen 50 jaar explosief toegenomen, vanwege een veelvoud aan factoren. Factoren zoals hogere leeftijd van de ouders en een veelvoud aan gifstoffen.
Wat vaccins betreft is het extra lastig omdat zeer veel ziekten, waartegen gevaccineerd wordt, dodelijk zijn of ernstige handicaps veroorzaken en het voor optimale bescherming nodig is dat tenminste 95% van de bevolking is gevaccineerd.

Desondanks kan je vragen stellen bij de enorme hoeveelheid vaccinaties evenals aan de zeer jonge leeftijd, waarop babies al ingeënt worden: het is de hoogste tijd dat onze nationale  instituten die over de volksgezondheid gaan (zoals de RIVM in NL) hier ook een kritsch oog over laten gaan, evenals over de samenstelling van een vaccin, zoals het al dan niet produceren via menselijke cellijnen.
 

Get every new article on your mail